In gesprek over digitale toegankelijkheid, werk en medezeggenschap
‘Gewoon meedoen’ vraagt om meer dan goede wil
Onlangs volgde Jantina Carels-Bosma bij ons de Basiscursus VGW. Als medewerker met een visuele beperking weet zij als geen ander hoe het is om in een grotendeels digitale omgeving een training te volgen, te werken én actief te zijn in de medezeggenschap. Met een brailleleesregel onder haar vingers en een schermlezer in haar oor draait Jantina “gewoon” mee bij Hollandse Delta. In dit interview delen we haar ervaringen om organisaties en ondernemingsraden te laten zien waarom (digitale) inclusie zo belangrijk is – én om praktische tips te geven waarmee zij morgen al aan de slag kunnen.
Kun je iets over jezelf vertellen? Wat voor werk doe je nu en welke rol heb je in de medezeggenschap?
“Ik werk bij Waterschap Hollandse Delta. In totaal werk ik daar nu acht jaar, waarvan de laatste vijf jaar in het team Dienstverlening. In die periode ben ik me gaan bezighouden met digitale toegankelijkheid.
Toen ik begon, hadden we wel de wens om toegankelijker te worden, maar nog niet echt een plan. Inmiddels hebben we dat wél: we kijken naar de website, het intranet en documenten. Een deel van de site voldoet aan de richtlijnen, de rest pakken we stap voor stap op, vaak samen met leveranciers.
Naast mijn werk loop ik als stagiair mee in de ondernemingsraad. De OR heeft bewust een stagefunctie ingericht, zodat meer mensen kunnen ervaren wat OR-werk inhoudt. Dat vind ik heel positief. Het is een manier om zichtbaarder te zijn en meer collega’s de kans te geven om OR-werk te leren kennen. Voor mij is het een mooie manier om te ervaren of het echt bij me past én om het thema toegankelijkheid ook daar onder de aandacht te brengen.”
Heb jij in je werk het gevoel dat je ‘gewoon’ kunt meedraaien met je collega’s?
“In grote lijnen wel. Dat komt vooral doordat mijn werkgever bereid is om met mij mee te denken. Toen ik begon, hebben we kritisch gekeken naar de systemen die ik nodig heb. Sommige applicaties bleken niet toegankelijk. In één systeem kon ik bijvoorbeeld wel lezen wat er stond, maar zelf niets publiceren. Samen met de leverancier is dat uiteindelijk aangepast – dat was een heel traject, maar het heeft echt verschil gemaakt.
Er zijn nog steeds systemen waar ik niet mee kan werken. Dan heb ik hulp van collega’s nodig. Ik red me wel, maar het vraagt inzet van mij én van de organisatie.
Inclusie betekent voor mij: samen blijven zoeken naar oplossingen, ook als het technisch of organisatorisch ingewikkeld is.
En hoe is dat in de OR? Heb je daar het gevoel dat je gewoon kunt meedoen?
“De stageconstructie in de OR vind ik heel positief. Het maakt het laagdrempelig om aan te haken en mee te kijken. Tegelijk loop ik ook hier tegen digitale dingen aan. De vergadersoftware die we gebruiken, opent stukken in pop-ups waar mijn schermlezer niet altijd goed mee overweg kan.
Mijn workaround is dat ik vraag of stukken ook in SharePoint gezet worden. Dat is eigenlijk dubbel werk, maar anders kan ik mijn rol niet goed vervullen. Daarom vind ik het belangrijk dat de OR toegankelijkheid breder oppakt. Niet alleen voor mij, maar voor iedereen die moeite heeft met onduidelijke systemen of onlogisch opgebouwde documenten.”
Hoe heb je het ervaren om de Basiscursus VGW te volgen – van de voorbereiding vooraf tot de werkvormen en digitale middelen tijdens de training?
“Ik heb jullie eerst gebeld. Voor mij is het belangrijk dat materialen aangepast kunnen worden. Als dat niet zo is, moet ik misschien uitwijken naar een andere aanbieder. Gelukkig was de reactie meteen heel open: er werd meegedacht, ik kon een checklist sturen met punten voor toegankelijkheid en er zijn materialen aangepast en vooraf toegestuurd. Dat is echt heel fijn.
Tegelijk merkte ik dat praktische dingen beter kunnen. Informatie stond bijvoorbeeld deels over verschillende tabbladen verdeeld en tijden zag je niet altijd in één oogopslag. Basisinformatie – datum, tijd, locatie – moet je altijd snel kunnen vinden, liefst op één duidelijke plek. Dat helpt mij, maar eerlijk gezegd iedere deelnemer.
Het mooie is: als je voor toegankelijkheid ontwerpt, wordt het product meestal beter voor iedereen.
Tijdens de training werken gesprekken en casussen voor mij goed; dan gaat het vooral om luisteren en meepraten. Lastiger wordt het als er veel met post-its en flip-overs wordt gedaan, zonder dat iemand vertelt wat er precies op staat – dat kan ik niet zien. Een kleine maar belangrijke verbetering is: alles wat je op het bord of op een flap schrijft, ook even hardop voorlezen.
Bij de digitale middelen helpt het enorm als ik presentaties en documenten vooraf in Word of in een goed opgebouwde pdf krijg. Dan kan mijn schermlezer er fatsoenlijk doorheen. Tijdens de dag zelf kan ik niet even snel door alle slides heen scrollen, dus ik leun meer op mijn aantekeningen en op wat er wordt verteld. Dat laat zien dat je met alleen een pdf niet klaar bent; het gaat óók om hoe je informatie live aanbiedt en hoeveel je als trainer hardop benoemt.”
Zie je de afgelopen jaren veranderingen in hoe organisaties met digitale toegankelijkheid omgaan?
“Zeker. Vroeger was digitale toegankelijkheid vaak een soort ‘extraatje’ voor een kleine groep. Door wetgeving en meer aandacht worden organisaties nu gedwongen erover na te denken. Je ziet bijvoorbeeld dat ondertiteling bij video’s veel vaker standaard wordt toegevoegd. Dat is bedacht voor mensen die slechthorend zijn, maar het helpt net zo goed iemand die een video in de trein bekijkt.
Dat soort voorbeelden laat zien waar ik in geloof: als je voor toegankelijkheid ontwerpt, wordt het beter voor iedereen. Tegelijkertijd worden nog steeds systemen aangeschaft zonder dat iemand zich afvraagt of een medewerker met een schermlezer ermee kan werken. Er is dus vooruitgang, maar we zijn er nog niet.”
Welke rol zie jij voor de medezeggenschap als het gaat om digitale toegankelijkheid?
“De OR kan het thema heel goed op de agenda zetten. Bij ieder nieuw systeem kun je vragen stellen: hoe is de toegankelijkheid geregeld, is er getest met verschillende gebruikers, wat betekent dit voor collega’s die hulpmiddelen gebruiken? Alleen al die vragen zorgen ervoor dat het onderwerp niet vergeten wordt.
Een haalbare eerste stap is een korte sessie over digitale toegankelijkheid voor de OR zelf. Laat zien wat er fout kan gaan, maar ook wat er al goed gaat. Als OR-leden begrijpen voor wie je het doet en wat de impact is, stellen ze andere vragen aan bestuur en management.”
Welke boodschap wil je werkgevers, opleiders en OR-leden meegeven die dit interview lezen?
“Ga in gesprek en blijf dat doen. Vraag medewerkers wat ze nodig hebben, luister en wees bereid om aanpassingen te doen – ook als het tijd en geld kost. Stel bij alles wat je digitaal maakt de vraag: hoe is dit voor iemand met een beperking, kan iemand zonder muis ermee werken, leest een schermlezer het logisch voor?
Toegankelijkheid moet geen voetnoot meer zijn, maar vanzelf onderdeel van ieder project. Als toegankelijkheid geen bijlage is, maar een standaard onderdeel van de manier waarop je werkt, dan zijn we wat mij betreft echt op de goede weg.
Samen stappen zetten richting meer inclusie
SBI Formaat, onderdeel van Stichting SBI, wil bijdragen aan organisaties waar iedereen duurzaam kan meedoen. Het verhaal van deze medewerker laat zien hoe dat er in het echt uitziet: niet als een groot project aan de zijlijn, maar in alledaagse keuzes, software-instellingen, uitnodigingsmails en OR-agenda’s.
Haar kernboodschap is eenvoudig en precies daarom krachtig.
Je moet het met elkaar doen. In gesprek blijven, bereid zijn om aanpassingen te doen – en blijven aangeven waar het nog schuurt. Dan komt digitale toegankelijkheid niet naast het werk te staan, maar ín het werk.
Voor werkgevers, opleiders en OR-leden ligt hier een uitnodiging: begin niet pas als er ‘een probleemgeval’ is, maar bouw toegankelijkheid en inclusie vanaf het begin in. In systemen, in communicatie, in scholing. Zo zet je samen echte stappen richting meer inclusie.

