Zo pakt de OR gevaarlijke stoffen gestructureerd aan!
“We werken hier al jaren zo.” Het is misschien wel de meest gehoorde zin wanneer het over gevaarlijke stoffen gaat. En juist dát maakt dit onderwerp voor ondernemingsraden zo verraderlijk. Want wat vertrouwd voelt, is niet automatisch veilig.
Gevaarlijke stoffen zijn zelden spectaculair zichtbaar. Het gaat om fijnstof, oplosmiddelen, lasrook, schoonmaakmiddelen, uitlaatgassen, chemische dampen, etc.. Ze horen bij het werk en verdwijnen daarmee gemakkelijk uit beeld. Totdat iemand klachten krijgt. Of erger.
Juist daarom vraagt dit onderwerp om een gestructureerde aanpak.
Van RI&E tot PBM: 5 stappen voor de OR
Stap 1: Staat het concreet in de RI&E?
De risico-inventarisatie & -evaluatie (RI&E) is het vertrekpunt. De vraag voor de OR is niet óf gevaarlijke stoffen erin staan, maar hoe:
- Worden specifieke stoffen benoemd?
- Is duidelijk waar en bij wie blootstelling plaatsvindt?
Te vaak blijft het bij algemene formuleringen als “blootstelling aan chemische stoffen mogelijk”. Dat is onvoldoende. Zonder concreet inzicht is er geen gerichte aanpak mogelijk. Voor de OR/VGWM-commissie ligt hier een duidelijke rol. De RI&E valt onder het instemmingsrecht. Dat betekent dat je mag doorvragen. Niet om technisch inhoudelijk specialist te worden, maar om na te gaan of alle risico’s voldoende serieus worden onderzocht.
Stap 2: Wordt blootstelling gemeten of alleen aangenomen?
In veel organisaties wordt gewerkt met veiligheidsbladen en algemene richtlijnen. Maar dat zegt nog niets over de werkelijke blootstelling op de werkvloer. De OR/VGWM-commissie kan bijvoorbeeld vragen:
- Wordt de frequentie en duur van de blootstelling goed bepaald, bijvoorbeeld door metingen?
- Wanneer is voor het laatst gemeten?
- Wat waren de uitkomsten?
- Zijn medewerkers betrokken geweest en op de hoogte gebracht van de uitkomsten?
Ook deze onderzoeken zijn onderdeel van de RI&E (verdiepende RI&E gevaarlijke stoffen).
Stap 3: Bronmaatregelen of vooral PBM?
Volgens de arbeidshygiënische strategie zijn persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) het laatste middel, niet het eerste. Toch zie je in de praktijk (nog) vaak het omgekeerde: handschoenen, maskers en brillen worden verstrekt, terwijl de bron van het risico ongemoeid blijft. Gerichte vragen die de OR/VGWM-commissie dan kan stellen:
- Is gekeken naar vervanging van schadelijke stoffen?
- Kan het proces anders worden ingericht?
- Zijn er voldoende technische maatregelen getroffen, zoals afzuiging of afscherming?
Als PBM’s de primaire oplossing zijn, is dat een signaal om door te vragen. Persoonlijke bescherming is afhankelijk van menselijk gedrag. Bronmaatregelen zijn structureler en betrouwbaarder. Dit gesprek vraagt stevigheid, want het raakt investeringen, productieprocessen en de planning. Juist daarom is het een typisch OR-thema: het gaat over structurele keuzes in plaats van tijdelijke oplossingen. Daarbij heeft de OR met instemmingrecht op het plan van aanpak van de RI&E heel veel invloed!
Wil je meer weten over wat jij kunt bijdragen als OR/VGW(M)-commissie aan het terugdringen van de blootstelling aan gevaarlijke stoffen in jouw organisatie? Schrijf je dan in voor de training Gevaarlijke stoffen in de RI&E.
Stap 4: Weten medewerkers wat ze inademen of aanraken?
Veiligheid begint bij bewustzijn. Medewerkers moeten weten met welke stoffen zij werken, wat de risico’s zijn en welke maatregelen gelden. Toch blijkt in de praktijk dat informatie versnipperd is. Veiligheidsinformatiebladen liggen digitaal opgeslagen, de bladen worden nauwelijks bijgehouden, instructies zijn ooit gegeven bij indiensttreding, maar actuele kennis ontbreekt.
De OR/VGWM-commissie kan hier toetsen:
- Is er periodieke voorlichting?
- Worden nieuwe medewerkers aantoonbaar geïnstrueerd?
- Is er ruimte om onveilige situaties te melden?
Cultuur speelt vaak ook een grote rol. Als klachten over geur, hoofdpijn of irritatie worden weggewuifd als “hoort erbij”, ontstaat normalisering van risico’s. Help als OR om dat te doorbreken.
Stap 5: Hoe borg je periodieke controle?
Gevaarlijke stoffen zijn geen eenmalig project. Processen veranderen, producten wisselen, leveranciers stappen over op andere samenstellingen. Wat vorig jaar veilig en gezond leek, kan vandaag anders zijn. Daarom is de volgende vraag belangrijk: hoe is periodieke toetsing geregeld?
- Staat dit structureel op de agenda van de OR/VGWM-commissie?
- Worden incidenten geëvalueerd?
- Is er een structurele samenwerking met preventiemedewerker/arboprofessional en arbodienst/bedrijfsarts?
Voor de OR/VGWM-commissie is het verstandig om dit onderwerp niet alleen reactief op te pakken, maar regelmatig terug te laten komen bijvoorbeeld gekoppeld aan de evaluatie van de RI&E en het arbobeleid.
OR/VGWM-commissie, zet gevaarlijke stoffen op de agenda!
Gevaarlijke stoffen zijn vaak onzichtbaar, maar de gevolgen kunnen groot zijn. Juist omdat het risico niet altijd direct merkbaar is, vraagt het om aandacht. Voor de OR/VGWM-commissie betekent dit: gestructureerd kijken, blijven doorvragen en het onderwerp periodiek agenderen. Niet vanuit wantrouwen, maar vanuit verantwoordelijkheid voor goede arbeidsomstandigheden.
Geschreven door Nicole Pikkemaat, trainer/adviseur expertiseteam Arbeid & Gezondheid.

